lundi 14 août 2017

Grammaire : PIJN AAN ..., PIJN IN ... / voorzetsels, preposities; prépositions / grammatica, spraakkunst / Nederlands; néerlandais


  • Emploi des prépositions AAN et IN avec le substantif PIJN / Gebruik van de voorzetsels (preposities) AAN en IN met het zelfstandig naamwoord (het substantief) PIJN
  • Grammaire néerlandaise / Nederlandse spraakkunst, Nederlandse grammatica
---------------
Amsterdam Skyline Paper Cut Art, HappyToasters
---------------

Pijn AAN ... ? Pijn IN ...?
---------------

Document 'Au ik heb pijn' en format JPEG sur Pinterest : https://www.pinterest.com/pin/319051954842993773/


Document 'Au, ik heb pijn' également disponible dans la collection  Google+ Grammatica & oefeningen :




Bronnen / Sources :
Prisma van de voorzetsels, gids voor het gebruik van de juiste voorzetsel, Prisma-boeken, Uitgeverij Het Spectrum B.V., Utrecht

jeudi 3 août 2017

Woordenschatoefening : voorwerpen in het huis; les objets dans la maison / exercice lexical / Nederlands; néerlandais

  • Exercice lexical en néerlandais / Lexicale oefening in het Nederlands
  • Thème : la maison, l'habitation, les objets dans la maison / Thema : het huis, de woning, de voorwerpen het huis
  • Nommer des objets / Voorwerpen noemen
  • Donner l'article défini : DE ou HET / Het bepaald lidwoord geven : DE of HET
---------------
Spreekwoord : Oost west, thuis best.
Betekenis men heeft misschien de hele wereld doorkruist en het goed gehad, maar men zal zich nergens beter bevinden dan thuis.
Les objets dans la maison
Comment appelles-tu les objets suivants. Mentionne l'article défini : DE ou HET?


Document 'De kamers van het huis' en format JPG sur Pinterest : https://fr.pinterest.com/pin/319051954842675328/



Document 'De kamers van het huis' également disponible dans la collection Google+ Woordenschat & oefeningen 



---------------
OPLOSSINGEN / SOLUTIONS

1) de tafel
2) het bed
3) het bureau, de schrijftafel
4) de koelkast, de ijskast
5) het bad, de badkuip
6) de stoel
7) de kleerkast
8) het boekenrek
9) het fornuis
10) de wastafel, de wasbak
11) de kast, het kastje
12) de leunstoel, de armstoel, de fauteuil
13) de computer
14) de oven
15) de wc, de closetpot, de toiletpot, de wc-pot
16) de rustbank, de ligbank, de sofa, de divan, de canapé
17) de commode
18) de telefoon, het telefoontoestel
19) de lamp (met een kap), de schemerlamp
20) de douche (uitspraak: [duʃ])
21) de televisie, de tv, het televisietoestel
22) de wekker
23) het ontbijtblad
24) de magnetron (= de microgolf, de microgolfoven [Belgisch-Nederlands])
25) het/de broodrooster
26) de mp3-cd-speler
27) het (vloer)kleedje
28) de (diep)vriezer

jeudi 27 juillet 2017

Woordenschatoefening : de kamers van het huis; les pièces de la maison / exercice de vocabulaire / Nederlands; néerlandais

  • Exercice lexical en néerlandais / Lexicale oefening in het Nederlands
  • Thème : la maison, l'habitation, les pièces de la maison / Thema : het huis, de woning, de kamers van het huis
  • Objets dans la maison / Voorwerpen in het huis
---------------
Tegel HUNNIK, buurpraatje, gekleurd keramiek
http://www.hollandsouvenirshop.nl/tegel-hunnik-buurpraatje-p-1941.html
---------------

Woordenschatoefening : de kamers van het huis
Exercice de vocabulaire : les pièces de la maison
---------------
1. Geef de naam van de kamer met behulp van de voorgestelde woorden.
2. Geef de naam van een voorwerp in de kamer met behulp van de voorgestelde woorden.



Document 'De kamers van het huis' en format JPG sur Pinterest : https://fr.pinterest.com/pin/319051954842588552/



Document 'De kamers van het huis' également disponible dans la collection Google+ Woordenschat & oefeningen : https://plus.google.com/u/0/108124208986236102370/posts/2AUfzB457TC



---------------
OPLOSSINGEN / SOLUTIONS
1. de keuken / 2. de koelkast (= de ijskast)
1. de badkamer / 2 een bad, een badkuip
1. de woonkamer (= de zitkamer, de huiskamer, de living, het salon) / 2. het krukje
1. de slaapkamer / 2. de kast
1. het bureau / 2. de onderlegger
1. de garage / 2. de (lucht)band
1. het toilet, de wc / de (water)spoeling
1. de gang / 2. de deurmat
1. de eetkamer / 2. het tafellaken

mardi 25 juillet 2017

Woordenschat; vocabulaire : het huis, la maison (3) / Nederlands; néerlandais

  • Nederlandse woordenschat / Vocabulaire néerlandais
  • Thema : het huis, de woning, de kamers van het huis, voorwerpen in het huis / Thème : la maison, l'habitation, les pièces de la maison, les objets dans la maison
  • Tekening, afbeelding / Dessin, illustration
---------------
Klinkenberg Zeist-tegeltje Volendam 1950's
https://fr.pinterest.com/pin/319051954841869619/
--------------- 
--------------- 
Vertaling van de woorden in het Frans / Traduction  des mots en français

de lamp : la lampe
de kast : l'armoire
de spiegel : le miroir, la glace
de boekenkast : la bibliothèque [armoire]
de leunstoel, de fauteuil (= de armstoel) : le fauteuil
het bed : le lit
het dak (meervoud/pluralis : daken) : le toit
de telefoon : le téléphone
de badkamer : la salle de bain
de wc = het toilet : le W.-C., les toilettes
de keuken : la cuisine
de gang : le couloir, le corridor
de tuin : le jardin
het zwembad : la piscine
de computer : l'ordinateur, le PC
de televisie (= de tv, het televisietoestel) : la télévision, le téléviseur
de deur : la porte
het boekenrek : l'étagère à livres
de trap : l'escalier
de rustbank ( = de ligbank, de bank, de sofa, de divan, de canapé) : le sofa, le divan, le canapé
de wekker : le réveil
het raam = het venster : la fenêtre
de tafel : la table
het gordijn : le rideau
het (vloer)kleed : le tapis
de stoel : la chaise
de open haard : le feu ouvert, la cheminée
het slot : la serrure
de garage : le garage
de muur : le mur
de woonkamer = de zitkamer = de living (= de huiskamer = het salon) : le living, le salon, le séjour
de slaapkamer : la chambre à coucher
de vaas : le vase
---------------


Document 'Het huis' en format JPG sur Pinterest : https://fr.pinterest.com/pin/319051954842499767/



Document 'Het huis' également disponible dans la collection Google+ Woordenschat & oefeningen 

mardi 13 juin 2017

Woordenschat; vocabulaire : algemene uitdrukkingen; expressions générales / video; vidéo / Nederlands; néerlandais

  • Vocabulaire : saluer, présenter, faire connaissance, rendre visite, prendre congé / Woordenschat : begroeting, voorstellen, kennismaking, bezoek, afscheid
  • Expressions générales / Algemene uitdrukkingen
  • Vidéo / Video
---------------
Vintage postcard : Boy giving girl flowers near bridge
https://www.flickr.com/photos/dutchgirl73/6833736037/in/photostream/lightbox/
----------------

VIDEO : algemene uitdrukkingen / VIDÉO : expressions générales



SCRIPT

Begroeting, voorstellen, kennismaking

Goedenmorgen!
Dag!/Goedendag!
Goedenmiddag!
Goedenavond!
Hallo!/Dag!
Hoe heet u?
Mijn naam is ...
Aangenaam.
Aangenaam kennis met u te maken.
Mag ik voorstellen? Dit is
  mevrouw X.
  juffrouw / mevrouw X.
  meneer X.
  mijn man.
  mijn vrouw.
  mijn zoon.
  mijn dochter.
  mijn vriendin.
  mijn verloofde.
Hoe gaat het met u/jou?
Dank u wel. En met u/jou?
Heeft u een prettige reis gehad?
Waar komt u vandaan?
Bent u hier allang?
Bent u alleen?
Bent u hier met uw gezin?
Logeert u ook in Hotel Astoria?
Bent u voor morgen al iets van plan?
Zullen we er samen heen gaan?
Wanneer treffen we elkaar?
Mag ik u afhalen?
Ik verwacht u om 9 uur
  voor de bioscoop.
  op het plein.
  in het café.
Laat u mij alstublieft met rust.

Bezoek

Neemt u mij niet kwalijk, woont hier meneer/mevrouw/juffrouw X?
Nee, hij/zij is verhuisd.
Weet u waar hij/zij nu woont?
Kan meneer/mevrouw/juffrouw X spreken?
Wanneer is hij/zij thuis?
Kan ik een boodschap achterlaten?
Ik kom later nog eens langs.
Komt u binnen.
Neemt u plaats, alstublieft.
Ik moet u de groeten doen van Paul.
Wat kan ik u te drinken aanbieden?
Wilt u iets drinken?
Dank u wel.
Proost!
Kunt u niet blijven lunchen?
Kunt u niet voor het avondeten blijven?
Dank u. ik blijf graag als ik niet stoor.
Het spijt me, maar ik moet gaan.
Smakelijk eten!
Het heeft goed gesmaakt.
Dank u voor de prettige avond.
Ik hoop u gauw weer te zien.
Ik laat nog van me horen.

Afscheid

Tot ziens!
Tot gauw!
Tot straks!
Tot morgen!
Welterusten!
Dag!
Het beste!
Dank u wel, hetzelfde!
Goede reis!
Doet u Jan de groeten van mij.
---------------


VIDEO 'Algemene uitdrukkingen / Expressions générales'  sur Pinterest : https://fr.pinterest.com/pin/319051954842217117/
VIDEO 'Algemene uitdrukkingen / Expressions générales' également disponible dans la Communauté Google+ NT2 (learn Dutch) : https://plus.google.com/u/0/108124208986236102370/posts/2MB4DhtAYq2

mercredi 12 avril 2017

Woordenschat : werkwoorden (verba) [2]; verbes / vocabulaire / Nederlands; néerlandais

  • Verbes néerlandais / Nederlandse werkwoorden, Nederlandse verba
  • Vocabulaire néerlandais / Nederlandse woordenschat
----------------
Silhouet : Keizersgracht, Amsterdam
---------------

Nederlandse werkwoorden (verba)
Verbes néerlandais


Document 'Werkwoorden (verba)sur Pinterest : https://fr.pinterest.com/pin/319051954839459226/
Document 'Werkwoorden (verba)' également disponible dans la collection  Google+ Woordenschat & oefeningen : https://plus.google.com/u/0/108124208986236102370/posts/bkVN3dneoAF


WOORDENSCHAT

drinken : boire
oversteken : traverser
leiden, aanvoeren : diriger, mener
besturen : conduire [un véhicule]
slaan : frapper
(op)tillen : soulever, lever
eten : manger
huppelen : sautiller
afsluiten : fermer à clé
drijven : flotter
jongleren : jongler
kijken [naar] : regarder
vliegen : voler
springen : sauter
marcheren : marcher au pas, défiler
(op)vouwen : plier
(tegen de bal) schoppen : donner un coup de pied (dans le ballon)
mengen : mélanger
volgen : suivre
kloppen : frapper [à la porte]
zwabberen, dweilen : nettoyer avec un balai à franges, passer la serpillière (sur)
geven : donner
lachen : rire
opendoen, openen : ouvrir
schaatsen, schaatsenrijden : patiner
vegen, bezemen : balayer
(rechts) afslaan : tourner (à droite)
(rond)dartelen : gambader, sautiller
zwemmen : nager
lopen, stappen, wandelen : marcher, se promener
slapen : dormir
schommelen : se balancer
afwassen, de afwas doen, de vaat doen : faire la vaisselle
(af)glijden : glisser
nemen : prendre
wuiven : saluer de la main, faire signe de la main
niezen : éternuer
spreken, praten : parler
afvegen : nettoyer, essuyer
(de bal op zijn vingertop) laten (rond)draaien : faire tourner la balle (sur le bout de son doigt)
vertellen : raconter
werken : travailler
staan : être debout
gooien, werpen : jeter, lancer
schrijven : écrire
blijven staan, stoppen : s'arrêter, stopper
(zijn veters) vastmaken, strikken : nouer (ses lacets)
gapen, geeuwen : bâiller

lundi 10 avril 2017

Woordenschat : werkwoorden (verba) [1]; verbes / vocabulaire / Nederlands; néerlandais

  • Verbes néerlandais / Nederlandse werkwoorden, Nederlandse verba
  • Vocabulaire néerlandais / Nederlandse woordenschat
----------------
Zuiderkerk, Amsterdam - couloured silhouet
---------------

Nederlandse werkwoorden (verba)
Verbes néerlandais

Document 'Werkwoorden (verba)sur Pinterest : https://fr.pinterest.com/pin/319051954839390616/
Document 'Werkwoorden (verba)' également disponible dans la collection Google+ Woordenschat & oefeningen : 
https://plus.google.com/u/0/108124208986236102370/posts/RygcDXybYyv


WOORDENSCHAT

dragen : porter
komen : venir
vragen : demander
grijpen, pakken, vangen : attraper
koken : cuisiner, cuire
bakken : cuire
(in de handen) plakken, applaudisseren : applaudir
huilen : pleurer
bijten : mordre
schoonmaken : nettoyer
knippen, snijden : couper
(de bal) laten stuiten, (de bal) laten opspringen : faire rebondir (une balle)
klimmen : grimper
dansen : danser
(zijn tanden) poetsen : (se) brosser (les dents)
dichtdoen, sluiten : fermer
(om)spitten : bêcher
bouwen : construire
kleuren : colorier
tekenen : dessiner
roepen : appeler, crier
kammen : peigner
dromen : rêver
inpakken : emballer, ranger (dans une valise)
trekken : tirer
schrobben : frotter, laver à grande eau
verven, schilderen : peindre
duwen : pousser
zien : voir
plakken : coller
harken : ratisser, râteler
zetten, plaatsen : mettre, placer
plukken : cueillir
lezen : lire
naaien : coudre
planten : planter
rijden : rouler
schreeuwen : crier, hurler
spelen : jouer
roeien : ramer
tonen : montrer
(aan)wijzen : indiquer
rennen, hard lopen : courir
zingen : chanter
(in)schenken : verser
zeilen : faire de la voile
zitten : être assis